Buurschap De Laar

1975

 

Gesproken fragment:

Rondom het kerspel (kerkdorp) Elst (De Elsterdorpsbuurt) liggen negen buurschappen; De Laar, Rijkerswoerd, Aam, De Bredelaar, Merm, Reeth, Eimeren, Lienden en Hollanderbroek. Deze buurschappen zijn terug te voeren tot de 12e eeuw en zijn voortgekomen uit vroegere curtis (hoven/boerderijen). Hollanderbroek is een uitzondering, omdat die buurschap is ontstaan door ontginning.

In de Over-Betuwe bestonden drie autonome bestuurscolleges: het ambt, de kerspelen en de buurschappen met buurmeesters, de besturen van de buurschappen. Hun voornaamste bezigheid was hun waterstaatstaak: onderhoud van wegen en zegen. Andere taken waren medewerking verlenen bij de aanslag en de inning van belastingen; de inkwartiering van soldaten regelen en in tijd van nood het oproepen (klokkenslag) van manschappen. De buurmeesters – meestal één persoon – moesten jaarlijks in handen van de ambtman/richter/dijkgraaf de eed afleggen ‘dat zij hun ‘kerspels- en buurwerken op de minst kostbaarste wijse sullen doen maaken en onderhouden.’

In deze buurschappen hadden de buren dus bestuursbevoegdheden, vooral op het gebied van afwatering. De buurschap was in de Over-Betuwe de typische nederzettingsvorm. Die bestond uit bij elkaar liggende boerderijen met bijbehorend bouwland al dan niet met een gezamenlijk veld met bos als achterland. Deze buurschappen waren autonome openbare lichamen met bestuursvormen voor waterstaatszaken, zelfbestuur en rechtspraak. Ze regelden waterkering en -lossing met opgeworpen wallen en een ontwateringsstelsel van pijpen, zegen en weteringen. Ze zorgden voor de ophoging van hun woonplaatsen en onderhoud van paden en wegen. Buurschappen bouwden in de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw in de ‘landstreek Batua’ dijken en groeven in 1244 een centraal afwateringskanaal; waarschijnlijk onder gezag van de graaf van Gelre. Die was sinds de dertiende eeuw de grootste grondbezitter in deze landstreek. Dit afwateringskanaal bestond uit de smalle noordelijke Rijnwetering en de brede zuidelijke Waalwetering gescheiden door een aarden wal, de Wetering of ‘Wetteringsewal’; het kanaal de Linge.

Iedere buurschap wilde een eigen zeeg naar één van de twee weteringen om niet afhankelijk te zijn van een ander buurschap en zo een goede afwatering te hebben op de eigen (landbouw) grond. De grenzen van buurschappen werden veelal bepaald door de aanwezige zegen en sloten in het landschap. Er waren immers geen wegen dus was dit de makkelijkste manier.

 

Gesproken fragment:

Deze buurschap is alleen op de site te zien en niet in de route opgenomen omdat deze te ver van de route ligt maar is voor de volledigheid wel opgenomen. 

Buurschap De Laar: 

Het woord ‘Laar’ in buurschap De Laar betekent woeste grond, broekland, niet in cultuur gebracht moerassig land met komgronden. Met uitzondering van een rug hoge, vruchtbare moorgrond ten noorden van de Laarstraat die zich van het oosten, het hooggelegen Rijkerswoerd, uitstrekt tot bij de boerderij ‘De Voorste Laar’ sinds 1950 van de familie Willemsens die daarvoor pachter was van de boerderij. Voor de afvoer van het overtollige water bevat het gebied veel graven (Schutgraaf), pijpen (de Noordelijke en de Zuidelijke Laarsche Pijp), sloten en zegen (Eldense zeeg) die zorgen voor de waterafvoer naar de Rijnwetering (de Linge).

In de Romeinse tijd liep in de onbedijkte delta een waterweg, de Aam of Ambe, langs de huidige Grote Molenstraat naar de Neder-Rijn. Delen hiervan zijn nog zichtbaar in het landschap, bijvoorbeeld aan de westzijde van de huidige Arnhemse woonwijk Schuytgraaf. De naam ’t Vlot voor een oud pad is veelzeggend.

Andere boerderijen in buurschap De Laar naast de ‘Voorste Laar’ (nu De Buitenplaats) waren de ‘Middelste Laar’ bij de spoorwegovergang en de ‘Achterste Laar’ nabij herberg De Klomp.